ECLI:NL:RBSGR:2008:BE0018

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/900390-06
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 SvArt. 32 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking inzake verstrekking videobewijs bij verdenking openlijke geweldpleging

In deze strafzaak tegen verdachte wegens openlijke geweldpleging beschikte de officier van justitie over videobeelden gemaakt met een mobiele telefoon. De verdediging verzocht om inzage of verstrekking van een kopie van deze beelden, omdat verdachte ontkende op de beelden te zijn en de beelden als bewijs zouden worden gebruikt.

De officier van justitie bood alleen inzage op het politiebureau aan en wilde geen kopie verstrekken, met het argument dat kennisnemen van processtukken niet automatisch verstrekking inhoudt en dat privacybelangen van slachtoffers en derden beschermd moesten worden.

De rechtbank oordeelde dat het gebruik van de beelden als bewijs meebrengt dat deze tijdig en volledig aan de verdediging en rechtbank ter beschikking moeten worden gesteld, om een zorgvuldige en adequate voorbereiding en behandeling van de zaak te waarborgen. Inzage op het politiebureau of vertoning ter zitting volstaat niet.

De rechtbank vond de privacyargumenten onvoldoende onderbouwd om verstrekking te weigeren. Daarom verklaarde zij het bezwaar gegrond en beval de officier van justitie binnen een week een kopie van de videobeelden aan de raadsman van verdachte te verstrekken, zodat de verdediging zich adequaat kan voorbereiden op de inhoudelijke behandeling.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de officier van justitie om een kopie van de videobeelden aan de verdediging te verstrekken.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT
parketnummer: 09/900390-06
kenmerk RK:08/2016
Beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage, raadkamer in strafzaken, op het bezwaarschrift ex artikel 32 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:
[verdachte],
geboren op [datum] 1987 te [plaats] ([land]),
wonende te [adres],
blijkens een daarvan opgemaakte akte op 11 juli 2008 ter griffie van deze rechtbank ingediend, tegen de beslissing van de officier van justitie van 24 juni 2008 om kennisneming van bepaalde processtukken aan verdachte te onthouden.
De rechtbank heeft op 5 augustus 2008 dit bezwaarschrift in raadkamer behandeld.
Verdachte is - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - niet in raadkamer verschenen; wel aanwezig was zijn raadsman, mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht.
De vaststaande feiten
1. Tegen verzoeker is een strafzaak aanhangig in verband met een verdenking van openlijke geweldpleging. De inhoudelijke behandeling zal plaatsvinden op 5 september 2008.
2. De officier van justitie beschikt over videobeelden die door een ooggetuige met een mobiele telefoon zijn gemaakt. Ondanks daartoe strekkende verzoeken van de raadsman heeft de officier van justitie geweigerd aan deze een kopie van die beelden te verschaffen, onder mededeling dat verzoeker en de raadsman desgewenst de beelden kunnen komen bekijken op het politiebureau te [plaats].
3. De officier van justitie is voornemens de videobeelden ter terechtzitting te tonen.
De standpunten.
De raadsman van verdachte heeft gepersisteerd bij het bezwaarschrift.
Primair heeft de raadsman verzocht om te bevorderen dat alsnog inzage wordt verleend van de gevraagde processtukken en subsidiair dat de officier van justitie wordt bevolen een kopie van de beschikbare beelden aan de verdediging te verstrekken.
Door de raadsman is aangevoerd dat de verdediging, mede in het licht van het beginsel van 'equality of arms', een evident belang heeft bij beschikbaarstelling van de videobeelden. Verdachte ontkent immers dat hij op de beelden te zien zou zijn, terwijl het openbaar ministerie nu juist het standpunt inneemt dat dat wel het geval is en bovendien voornemens is de beelden ter zitting te tonen. Dat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld de beelden op het politiebureau in [plaats] te bekijken, doet tekort aan de belangen van de verdediging. Dit geldt ook voor het van de beelden opgemaakte proces-verbaal, nu dat, aldus nog steeds de raadsman, volstrekt onduidelijk is. Dat privacybelangen van slachtoffers en derden aan verstrekking in de weg staan, gaat volgens de raadsman niet op. Het is het openbaar ministerie zelf dat steeds vaker een beroep doet op de media en sites als You Tube bij de opsporing van strafbare feiten. Daarbij komt, zo besluit de raadsman, dat in andere openlijke geweldzaken en bij andere parketten wel beelden ter beschikking worden gesteld.
De officier van justitie heeft in raadkamer aangevoerd dat de raadsman bij faxbrief van 24 juni 2008 in de gelegenheid is gesteld om de betreffende camerabeelden bij de politie [...], bureau [plaats], te bekijken en dat hij daartoe een afspraak met de coördinator kan maken. Dit betekent dat aan hem inzage is verleend. Daarmee, zo concludeert de officier van justitie, is het primaire verzoek ingewilligd en dient het bezwaar ongegrond te worden verklaard.
Door de officier van justitie is terzake van het subsidiaire verzoek nog het standpunt ingenomen dat het woord 'kennisnemen', als bedoeld in artikel 30 van Pro het Wetboek van Strafvordering, niet zonder meer het verstrekken van de processtukken behelst. In het proces-verbaal is gerelateerd wat er te zien is op de beelden, de raadsman en verdachte kunnen op het politiebureau kennisnemen van de beelden en de videobeelden zullen ter terechtzitting worden vertoond. Gelet op het vorenstaande stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat er geen sprake is van het onthouden van kennisneming van processtukken. Hierbij is overigens niet alleen van belang dat de verdediging zich kan voorbereiden, maar ook dat de privacy van anderen die op de beelden te zien zijn zo veel als mogelijk worden gewaarborgd.
Beoordeling van het bezwaar.
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het bezwaarschrift.
Het bezwaarschrift is tijdig ingediend.
De rechtbank stelt voorop dat het openbaar ministerie de afweging maakt of, en de beslissing neemt dat, bepaalde (bewijs)stukken wel of niet worden gebruikt in een strafzaak tegen een verdachte. Het openbaar ministerie heeft in het onderhavige geval ervoor gekozen de met een mobiele telefoon gemaakte videobeelden als bewijs tegen verdachte te gebruiken. Dit brengt, mede gelet op het beginsel van 'equality of arms', naar het oordeel van de rechtbank mee dat die aldus van het dossier deel uitmakende opname ter beschikking dient te worden gesteld aan de verdediging alsmede - op voorhand en niet eerst door vertoning ter zitting - aan de rechtbank. Daartoe is redengevend dat niet alleen de verdediging maar ook de rechtbank met het oog op een zorgvuldige en adequate voorbereiding en behandeling van de zaak tijdig vóór de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting over die opname moet kunnen beschikken. Niet kan worden gezegd dat dat - voor zich sprekend - oogmerk in voldoende mate wordt gewaarborgd door een mogelijkheid tot inzage op het politiebureau in [plaats], noch door het vertonen van de beelden ter zitting. Overlegging van een proces-verbaal waarin wordt gerelateerd wat er op de beelden te zien is maakt dit niet anders, reeds omdat dit een ander processtuk betreft dan de daarin beschreven opname.
De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 1994 (NJ 1994, 295) kan de officier van justitie evenmin baten. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, werd de rechtvaardiging van het niet verstrekken van video- en geluidsbanden '(...) gevonden in de inhoud van de afgelegde verklaringen en het daarbij getoonde gedrag van de jonge getuigen, welke van zeer intiem karakter zijn'. Daarom diende de bescherming van de privacy van die getuigen te prevaleren boven het belang van de verdachte bij afschriften van de processtukken. Niet gesteld of gebleken is dat in onderhavig geval zodanig specifieke privacybelangen aan de orde zijn. De officier van justitie heeft wel erop gewezen dat slachtoffers en derden op de beelden te zien zijn. Deze enkele, niet nader onderbouwde, omstandigheid acht de rechtbank echter onvoldoende om vast te kunnen stellen dat bij verstrekking van de opname de belangen van die personen niet worden gerespecteerd. Hierbij zij overigens herhaald dat het openbaar ministerie zelf de keuze heeft gemaakt om die opname als bewijs te gebruiken.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar gegrond is. De rechtbank zal de officier van justitie bevelen binnen een week na heden een kopie van de videobeelden aan de raadsman te verstrekken, opdat nog voldoende gelegenheid bestaat tot het bekijken van de beelden vóór de inhoudelijke behandeling van 5 september 2008.
Beslissing.
De rechtbank,
- verklaart het bezwaar gegrond;
- beveelt de officier van justitie binnen een week na heden een kopie van de videobeelden te verstrekken aan de raadsman van verdachte.
Deze beschikking is gegeven in raadkamer te 's-Gravenhage op 13 augustus 2008 door mrs. J.W. du Pon, voorzitter, V.F. Milders en P.C. Krekel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. van Rhijn, griffier.
Mr. Krekel is buiten staat te ondertekenen.