ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0181
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.F.M. Hofhuis
- P.A. Koppen
- D. Aarts
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid van de Staat voor het handelen van Dutchbat tijdens de val van Srebrenica
H. N., voormalig tolk bij de Verenigde Naties en Dutchbat, vordert namens zichzelf en zijn overleden familieleden schadevergoeding van de Staat wegens onvoldoende bescherming tijdens de val van Srebrenica in juli 1995. Zijn ouders en broer, die zich in het UN-compound bevonden, werden door Bosnisch-Servische troepen weggevoerd en vermoord.
De Staat voert als hoofdverweer aan dat Dutchbat onder operationele commandostructuur van de Verenigde Naties viel en dat de handelingen van Dutchbat derhalve uitsluitend aan de VN zijn toe te rekenen. De rechtbank onderzoekt of de Nederlandse autoriteiten de VN-commandostructuur hebben doorkruist of instructies hebben gegeven die tot aansprakelijkheid van de Staat zouden leiden. Dit wordt ontkend op basis van feiten en getuigenverklaringen.
De rechtbank concludeert dat de handelingen en nalatigheden van Dutchbat moeten worden toegerekend aan de VN en dat de Staat niet aansprakelijk is voor de schendingen van mensenrechten en het falen tot bescherming van de familie van H. N. De vordering wordt afgewezen en H. N. wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de handelingen van Dutchbat exclusief aan de Verenigde Naties zijn toe te rekenen en wijst de vordering van H. N. tegen de Staat af.