ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0789
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens ontbreken reëel zicht op uitzetting naar China binnen redelijke termijn
Eiser, een Chinese onderdaan, werd op 14 augustus 2008 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze vrijheidsontnemende maatregel omdat er volgens hem geen reëel zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede vanwege het ontbreken van concrete afspraken met de Chinese autoriteiten over de afgifte van laissez-passers.
Verweerder voerde aan dat er wel zicht op uitzetting was, verwijzend naar diplomatieke gesprekken op 21 augustus 2008 tussen de plaatsvervangend directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek en de Chinese ambassadeur, en een gepland overleg op 2 oktober 2008 tussen de Chinese premier en de Nederlandse minister-president. Tevens stelde verweerder dat eiser onvoldoende meewerkte aan zijn uitzetting.
De rechtbank constateerde dat de diplomatieke inspanningen nog niet tot concrete afspraken hadden geleid en dat verweerder niet kon aangeven wat er op 21 augustus was besproken en wat op 2 oktober zou worden besproken. Gezien de langdurige gesprekken zonder resultaat, oordeelde de rechtbank dat er geen reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond.
Daarom werd de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven met ingang van 27 augustus 2008. Tevens kende de rechtbank eiser een schadevergoeding toe van €1.035,00 voor de onrechtmatige bewaring en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €644,00.
Uitkomst: De bewaring van eiser wordt opgeheven wegens ontbreken van reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en eiser ontvangt een schadevergoeding en proceskosten.