ECLI:NL:RBSGR:2008:BF1044
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.G.H. Odink
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting na strafdetentie leidt tot opheffing vreemdelingenbewaring
Eiser, een Mongoolse nationaliteit dragende vreemdeling, zat vanaf 26 april 2008 in strafrechtelijke detentie en werd op 22 augustus 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank constateert dat de Staatssecretaris gedurende de strafrechtelijke detentie geen uitzettingshandelingen heeft verricht, ondanks dat vanaf 8 mei 2008 duidelijk was dat eiser na detentie in vreemdelingenbewaring zou worden geplaatst.
Hoewel het houden van een vertrekgesprek en het invullen van een laissez-passer (lp)-aanvraag twaalf dagen na inbewaringstelling in beginsel niet als onvoldoende voortvarend handelen wordt gezien, oordeelt de rechtbank dat in deze zaak de Staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Dit omdat de strafrechtelijke periode niet is benut om het uitzettingstraject te starten en er geen bewijs is dat de lp-aanvraag tijdig is ingediend bij de Mongoolse autoriteiten.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet zonder geldige titel van zijn vrijheid is beroofd na strafdetentie, maar dat de schending van de inspanningsverplichting door de Staatssecretaris wel gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring. Op grond van het EVRM en jurisprudentie wordt de bewaring opgeheven met ingang van 5 september 2008. Tevens wordt eiser een schadevergoeding toegekend voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en worden de proceskosten aan eiser toegewezen.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid bij het uitzettingstraject en eiser krijgt een schadevergoeding toegekend.