ECLI:NL:RBSGR:2008:BF2192
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar China
Eiser, een Chinese staatsburger, werd op 11 september 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een schadevergoeding. De rechtbank beoordeelde of het besluit tot bewaring in overeenstemming was met de Vreemdelingenwet 2000 en of er zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn.
Verweerder stelde dat recente diplomatieke ontwikkelingen, waaronder de afgifte van een laissez-passer en gesprekken met de Chinese ambassadeur, zicht op uitzetting boden. De rechtbank oordeelde echter dat deze feiten onvoldoende waren om aan te nemen dat uitzetting binnen een redelijke termijn mogelijk was. De enkele afgifte van één laissez-passer en de indruk van mogelijke verbeterde samenwerking waren niet representatief voor een structurele verandering.
Gezien het ontbreken van zicht op uitzetting was de bewaring onrechtmatig en werd het beroep gegrond verklaard. De maatregel werd per 24 september 2008 opgeheven. Daarnaast kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €1.065,- voor de periode van dertien dagen bewaring, en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting en eiser ontvangt een schadevergoeding.