ECLI:NL:RVS:2008:BE9987
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar China
De vreemdeling werd op 17 juli 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval opheffing van de bewaring. De staatssecretaris van Justitie stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er vanaf het begin geen reëel zicht op uitzetting bestond, omdat de staatssecretaris weliswaar nog geen concrete toezeggingen van de Chinese autoriteiten had, maar wel maximale diplomatieke inspanningen leverde. Dit maakte de voortzetting van de bewaring aanvankelijk gerechtvaardigd.
Echter, bij de zitting kon de staatssecretaris geen concrete aanknopingspunten of termijn geven waarbinnen uitzetting op korte termijn mogelijk zou zijn, ondanks de vereiste medewerking van de vreemdeling. Hierdoor ontbrak het zicht op uitzetting en werd de voortzetting van de inbewaringstelling onrechtmatig.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard wegens ontbreken van concreet zicht op uitzetting naar China.