ECLI:NL:RBSGR:2008:BF3288
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting naar China
De zaak betreft een beroep tegen de voortzetting van een maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000. Eiser betoogde dat verweerder onvoldoende voortvarend had gewerkt aan zijn uitzetting en dat er onvoldoende concreet perspectief op uitzetting bestond, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn geworden.
Verweerder stelde dat er zicht was op uitzetting omdat op 8 september 2008 door de Chinese autoriteiten een laissez-passer was afgegeven na een nieuwe aanvraag op 25 juli 2008. Daarnaast waren in 2007 en 2008 meerdere Chinese vreemdelingen via bemiddeling van de Internationale Organisatie voor Migratie teruggekeerd, ook met een laissez-passer.
De rechtbank overwoog dat het een rechtsplicht van de vreemdeling is om actief mee te werken aan zijn uitzetting en dat de verstrekte informatie concrete aanknopingspunten biedt die de verwachting rechtvaardigen dat op korte termijn tot uitzetting kan worden overgegaan. De eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin het zicht op uitzetting ontbrak, werd hiermee achterhaald. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.