ECLI:NL:RBSGR:2008:BG4108
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in kader regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet
Verzoeker, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf en in vreemdelingenbewaring, maakte bezwaar tegen de ambtshalve weigering van de staatssecretaris van Justitie om hem een aanbod te doen voor een verblijfsvergunning op grond van de regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet.
De voorzieningenrechter beoordeelde de ontvankelijkheid van het verzoek en concludeerde dat, ondanks verschillende jurisprudentie over de kwalificatie van de weigering als besluit, het verzoek ontvankelijk is omdat het wordt aangemerkt als een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
In de belangenafweging woog de rechter mee dat verzoeker belang heeft bij het voorkomen van uitzetting vanwege de onomkeerbare gevolgen en de voorwaarde van ononderbroken verblijf voor de regeling. De staatssecretaris weigerde inhoudelijk toe te lichten waarom geen aanbod werd gedaan, waardoor niet alle gronden voor een weigering duidelijk waren.
Daarom kreeg verzoekers belang doorslaggevende waarde en werd de voorlopige voorziening toegewezen, met een verbod op uitzetting tot vier weken na beslissing op bezwaar. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd het griffierecht aan verzoeker vergoed.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoeker wordt verboden tot vier weken na beslissing op bezwaar.