ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5832
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid van ophouding en bewaring vreemdeling zonder vastgesteld redelijk vermoeden van illegaal verblijf
Eiser werd na een strafrechtelijk voortraject opgehouden en vervolgens in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank constateert dat de bevoegdheid tot staandehouding niet conform artikel 50, eerste lid, Vw is toegepast, waardoor het vereiste van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bij staandehouding niet gold. Dit verweer van eiser faalt echter, omdat bij de strafrechtelijke aanhouding de identiteit niet kon worden vastgesteld, wat grond gaf voor nader onderzoek en ophouding.
Eiser stelde dat verweerder misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid en dat zijn recht op rechtsbijstand was geschonden. De rechtbank oordeelt dat het beheersen van de Nederlandse taal niet automatisch duidt op Nederlandse nationaliteit en dat het tijdig informeren van de advocaat heeft plaatsgevonden. Ook de verlenging van de ophouding was gerechtvaardigd gezien het ontbreken van voldoende gegevens.
Ten aanzien van de maatregel van bewaring is geoordeeld dat er zicht op uitzetting bestond zolang eiser niet meewerkte aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. De bewaring was gebaseerd op het ontbreken van identiteitspapieren, het ontbreken van verblijfplaatsinformatie, een verdenking van een misdrijf en het ontbreken van middelen van bestaan. De rechtbank concludeert dat de maatregelen niet in strijd waren met de Vreemdelingenwet en dat het beroep en het verzoek om schadevergoeding ongegrond zijn.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.