ECLI:NL:RBSGR:2008:BG6452

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
8 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/40753
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:77 AwbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting vreemdelingenbewaring met zicht op uitzetting naar Mongolië

De vreemdelinge, met de Mongoolse nationaliteit, maakte bezwaar tegen de voortzetting van haar maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie. Zij stelde dat geen zicht op uitzetting bestond, omdat de Mongoolse autoriteiten alleen een laissez-passer verstrekken aan personen die een verklaring van vrijwillige terugkeer ondertekenen, wat zij weigerde.

De rechtbank heeft overwogen dat de Staatssecretaris voldoende zicht heeft op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede doordat hij het voornemen heeft de vreemdelinge te presenteren bij de Mongoolse autoriteiten voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. Hoewel een geplande persoonlijke presentatie op 27 november 2008 niet doorging, acht de rechtbank dit onvoldoende reden om te twijfelen aan het zicht op uitzetting.

De rechtbank sluit aan bij jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat van een vreemdeling mag worden verlangd een verklaring af te leggen die terugkeer mogelijk maakt, zonder dat dit verder gaat dan de verplichting Nederland eigener beweging te verlaten. De vreemdelinge weigert elke medewerking, maar dit leidt niet tot onrechtmatigheid van de bewaring.

Gelet op deze omstandigheden en het ontbreken van feiten die de voortzetting van de bewaring onrechtmatig maken, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Vreemdelingenkamer, meervoudige kamer
Reg.nr.: AWB 08/40753 VRONTN
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 Algemene Pro wet bestuursrecht beroep vrijheidsontnemende maatregel
Inzake:
[A], V-nummer [V-nummer], thans verblijvende in het Detentiecentrum Zeist te Soesterberg, hierna te noemen de vreemdelinge,
gemachtigde mr. L.M. Weber, advocaat te Amsterdam,
tegen:
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. E. Groenendijk, ambtenaar ten departemente.
I PROCESVERLOOP
1 De vreemdelinge heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1978 en de Mongoolse nationaliteit te hebben.
2 Op 17 november 2008 heeft de vreemdelinge een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Het beroep is gericht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die verweerder bij besluit van 1 oktober 2008 de vreemdelinge heeft opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.
3 De openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. De vreemdelinge heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
II OVERWEGINGEN
1 De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring als zodanig reeds is beslist bij uitspraak van deze rechtbank van 20 oktober 2008.
Derhalve staat thans ter beoordeling of verdere voortzetting van de maatregel van bewaring, gegeven de omstandigheden van het geval, rechtmatig is.
2 De vreemdelinge heeft aangevoerd dat geen zicht op uitzetting bestaat. De vreemdelinge stelt zich daarbij op het standpunt dat de Mongoolse autoriteiten enkel een laissez-passer verstrekken aan Mongolen die een verklaring ondertekenen dat zij vrijwillig terug wensen te keren. De vreemdelinge stelt dat van haar niet kan worden verwacht dat zij valselijk zal verklaren dat zij wenst terug te keren naar Mongolië, terwijl zij dat niet wil. De vreemdelinge wijst in dat verband op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 21 november 2008, reg.nr. AWB 08/39706.
3 Verweerder heeft de rechtbank schriftelijk inlichtingen verstrekt inzake zijn handelen strekkend tot uitzetting van de vreemdelinge uit Nederland. Verweerder heeft voorts ter zitting betoogd dat nog steeds voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.
4 Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig is.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Verweerder heeft ter verkrijging van een geldig document voor grensoverschrijding het voornemen de vreemdelinge te presenteren bij de Mongoolse autoriteiten. Er is vooralsnog geen grond om aan te nemen dat een dergelijk document niet zal worden verkregen. Verweerder heeft de aanvraag tot verkrijging van een geldig document voor grensoverschrijding voor de vreemdelinge op 21 oktober 2008 aan de Mongoolse autoriteiten gezonden. Dat een geplande presentatie in persoon op 27 november 2008 geen doorgang heeft gevonden, maakt het vorenstaande niet anders.
De rechtbank ziet in hetgeen door de vreemdelinge is aangevoerd geen aanleiding om te beslissen in de lijn als in de hiervoor aangehaalde uitspraak van deze rechtbank van 21 november 2008. De rechtbank zoekt aansluiting bij de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) ontwikkelde jurisprudentie, zoals onder meer gedaan bij uitspraak van 7 november 2008, 200802536/1 (LJN: BG4452), waarbij deze heeft overwogen dat van een vreemdeling mag worden verlangd dat die een verklaring zal afleggen die terugkeer naar zijn land van herkomst mogelijk maakt en dat zo een verklaring van vrijwillige terugkeer niet een zodanige strekking heeft dat die verder gaat dan binnen het bestek van de op hem rustende verplichting Nederland eigener beweging te verlaten.
De rechtbank betrekt hierbij dat de vreemdelinge elke vorm van medewerking weigert en derhalve sowieso geen medewerking aan haar uitzetting verleent.
5 Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de voortzetting van de bewaring ten aanzien van de vreemdelinge in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.
6 Het beroep is derhalve ongegrond. Er is geen grond voor het toekennen van schadevergoeding.
7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III BESLISSING
De rechtbank ’s-Gravenhage
RECHT DOENDE:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gedaan door mrs. G.P. Kleijn, E. Kouwenhoven en M.M.F. Holtrop en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschrift verzonden op: