ECLI:NL:RBSGR:2008:BG9233
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering verblijfsvergunning op grond van vreemdelingenwet en categorale bescherming Irak
Eiser, geboren in Noord-Irak, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door verweerder werd geweigerd. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen dit besluit. Eiser stelde dat hij op grond van het categorale beschermingsbeleid voor Centraal-Irak recht had op een vergunning, mede omdat zijn broer in Nederland verblijft en uit Centraal-Irak afkomstig is. Verweerder voerde onder meer aan dat eiser niet als afkomstig uit Centraal-Irak kon worden aangemerkt en dat het asielrelaas ongeloofwaardig was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder in redelijkheid kon besluiten dat eiser toerekenbaar geen reisdocumenten kon overleggen en dat het asielrelaas onvoldoende geloofwaardig was. Ook werd geoordeeld dat verweerder terecht geen verblijfsvergunning op vluchtelingengrond had verleend. Ten aanzien van het beroep op het categorale beschermingsbeleid voor Centraal-Irak werd echter vastgesteld dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser niet als afkomstig uit Centraal-Irak kon worden aangemerkt, terwijl eiser aannemelijk had gemaakt dat hij voor vertrek in Centraal-Irak verbleef.
Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder het besluit onvoldoende had gemotiveerd en het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door niet adequaat in te gaan op het beroep op artikel 15c van de Definitierichtlijn. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.