ECLI:NL:RBSGR:2008:BI4216
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na meervoudige oplichting en verduistering
De rechtbank 's-Gravenhage heeft in een beslissing ex artikel 36e Sr het bedrag vastgesteld waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde wordt geschat. De veroordeelde werd veroordeeld voor meervoudige oplichting, medeplegen van onttrekking aan beslag, verduistering, valsheid in geschrift en diverse faillissementsdelicten.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk een ontnemingsbedrag van €3.149.893, dat later werd bijgesteld naar €1.748.604. Na onderzoek en correctie van een kennelijke rekenfout, waarbij een bedrag van €539.857 ten onrechte was buiten beschouwing gelaten, kwam de rechtbank tot een totaal van €2.272.240. De berekening was gebaseerd op diverse zaaksdossiers, waaronder opbrengsten uit de verkoop van schilderijen, bankafschriften, getuigenverklaringen en consignatieovereenkomsten.
De verdediging betwistte onder meer het persoonlijke voordeel uit de verkoop van bepaalde schilderijen en voerde aan dat de draagkracht van de veroordeelde onvoldoende was om het bedrag te voldoen. De rechtbank verwierp deze verweren, oordeelde dat de opbrengsten feitelijk ter beschikking van de veroordeelde stonden en dat geen reden was om rekening te houden met zijn draagkracht. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De rechtbank legde de veroordeelde de verplichting op om het bedrag van €2.272.240 aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarmee een hogere betalingsverplichting werd opgelegd dan door de officier van justitie was gevorderd.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €2.272.240 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.