ECLI:NL:RBSGR:2008:BL7852
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. de Loor-Alwin
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkstelling voor naheffingsaanslag loonbelasting bij schoonmaakwerkzaamheden
Eiser exploiteert een schoonmaakbedrijf en stelde beroep in tegen een aansprakelijkstelling voor loonbelasting die door de Belastingdienst aan hem was opgelegd op grond van de Invorderingswet 1990. De naheffingsaanslag was gebaseerd op loonbelasting die was vastgesteld bij een onderaannemer, [A], die de schoonmaakwerkzaamheden uitvoerde in 2000 en 2001.
De rechtbank oordeelde dat schoonmaakwerkzaamheden binnen de reikwijdte van 'werk van stoffelijke aard' vallen zoals bedoeld in artikel 35 IW Pro 1990, mede gelet op de memorie van toelichting. Eiser betoogde dat de werkzaamheden niet als zodanig kwalificeren en stelde dat de werkzaamheden door zelfstandigen zonder personeel zouden zijn uitgevoerd, maar de rechtbank vond dat de werkzaamheden door werknemers van [A] werden verricht, wat werd ondersteund door getuigenverklaringen en het ontbreken van feiten die op zelfstandigheid duiden.
Verder werd geoordeeld dat het anoniementarief en de eindheffing terecht waren toegepast omdat [A] niet voldeed aan de voorwaarden om hiervan af te wijken. Eiser kon ook niet aantonen dat verrekening niet was verwerkt of dat de naheffingsaanslag niet correct was verzonden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aansprakelijkstelling gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de aansprakelijkstelling voor loonbelasting is ongegrond verklaard.