ECLI:NL:RBSGR:2008:BM2710
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. van Rij
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen heffingsrente bij definitieve aanslag inkomstenbelasting 2004
Eiser maakte bezwaar tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2004, waarin een belastbaar inkomen uit werk en woning van €39.079 werd vastgesteld, inclusief een heffingsrente van €1.087. De voorlopige aanslag was gebaseerd op een lager inkomen en leidde tot een teruggaaf van €8.133.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen verzoek tot vaststelling van een nadere voorlopige aanslag had ingediend. Op grond van artikel 30f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is heffingsrente verschuldigd indien een voorlopige aanslag te laag blijkt en wordt gecorrigeerd. De heffingsrente compenseert het rentenadeel en is geen sanctie.
Eiser betoogde dat de heffingsrente onterecht was, maar de rechtbank oordeelde dat de berekening correct was en dat geen gronden aanwezig waren om de regeling buiten toepassing te verklaren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de heffingsrente van €1.087 bij de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2004 wordt ongegrond verklaard.