ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3769
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs liquidatie en poging tot moord
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde een zaak waarin verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij de liquidatie van een slachtoffer in 1993 en een poging tot moord in 1999. De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie vanwege onvolledige dossiers, ondeugdelijke tapmachtigingen en schending van het recht op een eerlijk proces volgens artikel 6 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat het dossier niet zodanig incompleet was dat het OM niet ontvankelijk zou zijn en verwierp de bezwaren tegen de tapmachtigingen. Ook werd geoordeeld dat het recht op berechting binnen een redelijke termijn niet was geschonden, hoewel het tijdsverloop beperkingen voor het bewijs met zich meebracht.
De bewijsvoering rustte voornamelijk op de verklaring van een bedreigde anonieme getuige (X10), die echter niet uit eigen wetenschap sprak en wiens informatie van horen zeggen afkomstig was. De rechtbank vond deze verklaring onvoldoende om verdachte wettig en overtuigend schuldig te verklaren, mede omdat andere bewijsmiddelen niet eenduidig waren en alternatieve scenario's mogelijk bleven.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten, waaronder de liquidatie en poging tot moord, en verwierp alle verweren van de verdediging met betrekking tot de ontvankelijkheid van het OM.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.