1. Ontstaan en loop van het geschil
1.1. Bij besluit van 24 januari 2008 heeft verweerder verzoekers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke geldig was van 17 december 2003 tot 20 december 2008 met terugwerkende kracht tot 17 februari 2007 ingetrokken en verzoeker voorts ongewenst verklaard.
1.2. Tegen beide onderdelen van dit besluit is door verzoeker op 14 februari 2008 bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn op 5 maart 2008 ingediend. Op 14 maart 2008 en op 11 juni 2008 zijn nadere gronden van bezwaar ingediend.
1.3. Bij uitspraak van 3 juli 2008 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Breda, een door verzoeker ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen, voor zover dit verzoek betrekking had op de ongewenstverklaring van verzoeker. Bepaald is dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar inzake de ongewenstverklaring.
1.4. Verzoeker is door een ambtelijke commissie gehoord ten aanzien van zijn bezwaar op 30 juli 2008. Op 31 juli 2008 heeft een ambtelijke commissie verzoekers echtgenote en zijn moeder gehoord in verband met verzoekers bezwaren.
1.5. Bij besluit van 18 augustus 2008 heeft verweerder de bezwaren van verzoeker ongegrond verklaard.
1.6. Bij beroepschrift van 20 augustus 2008 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder Awb 08/30174. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten.
1.7. Bij verzoekschrift van 20 augustus 2008 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.
1.8. Op 17 september 2008 heeft verzoeker de gronden van het beroep ingediend. Op 18 september 2008 zijn de gronden van het verzoek ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verzoeker heeft bij brieven van 27 en 28 januari 2009 nadere stukken ingediend.
1.9. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 30 januari 2009. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook de echtgenote en moeder van verzoeker zijn, als belanghebbenden, verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten.
2. Rechtsoverwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2. De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.