ECLI:NL:RBSGR:2009:BH7061
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- C. van Linschoten
- I.D. Jacobs
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens vermeende betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven niet gerechtvaardigd
Eiser, een voormalige kolonel bij de Jumbush-i-Milli militie, kreeg zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken door verweerder op grond van vermeende betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven en mensenrechtenschendingen in de periode 1992-1998. Verweerder baseerde dit op individuele ambtsberichten waarin werd gesteld dat eiser onvermijdelijk medeverantwoordelijk was vanwege zijn hoge rang.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor het intrekken van de vergunning bij verweerder lag en dat de ambtsberichten onvoldoende specifiek waren toegespitst op eiser. Er was geen concreet bewijs dat eiser persoonlijk betrokken was bij de misdrijven of deze direct had gefaciliteerd. De algemene veronderstelling dat hij onvermijdelijk betrokken moest zijn, was onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast vond de rechtbank de werkwijze van verweerder onzorgvuldig, omdat de vergunning werd ingetrokken op basis van een ambtsbericht dat al jaren bekend was, terwijl eerder een verblijfsvergunning zonder beperkingen was verleend. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken.
De rechtbank veroordeelde verweerder tevens in de proceskosten van eiser. Het oordeel benadrukt het belang van een zorgvuldige, op specifieke feiten gebaseerde beoordeling bij intrekking van verblijfsvergunningen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van persoonlijke betrokkenheid.