ECLI:NL:RBSGR:2009:BH8902
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewaring onrechtmatig wegens niet wijzen op recht op consulaire bijstand
Eiser is op 24 februari 2009 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is eiser niet gewezen op zijn recht op consulaire bijstand, hetgeen volgens vaste jurisprudentie een ernstig gebrek vormt. Eiser heeft aangevoerd dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad omdat hij niet wist dat hij de consul kon benaderen, wat mogelijk de uitzettingsprocedure had kunnen versnellen.
Verweerder heeft betoogd dat de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt vanwege de omstandigheden van eiser, zoals het ontbreken van identiteitsdocumenten, het illegale verblijf van meer dan drie jaar, en het niet meewerken aan de uitzetting. De rechtbank oordeelt echter dat het element frustratie alleen kan worden meegewogen indien eiser voorafgaand aan en ten tijde van de bewaring alle medewerking aan zijn verwijdering weigert, wat hier niet is gesteld of gebleken.
De rechtbank concludeert dat de belangen van verweerder niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en het daardoor geschaadde belang van eiser. Daarom is de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel niet gerechtvaardigd. Het beroep wordt gegrond verklaard, de bewaring wordt opgeheven per 12 maart 2009, en eiser wordt een schadevergoeding toegekend van €1.430,--. Tevens worden de proceskosten van €644,-- aan eiser toegewezen.
Uitkomst: Bewaring wordt opgeheven wegens niet wijzen op recht op consulaire bijstand; eiser ontvangt schadevergoeding en proceskosten.