ECLI:NL:RVS:2009:BH5066
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling belangenafweging bij vreemdelingenbewaring ondanks niet wijzen op consulaire bijstand
De vreemdeling werd op 29 oktober 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat niet was gewezen op het recht op consulaire bijstand en kende schadevergoeding toe. De staatssecretaris van Justitie stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad overwoog dat het niet wijzen op het recht op consulaire bijstand op zichzelf een belangenbeschadiging inhoudt, maar dat dit niet automatisch leidt tot vernietiging van het besluit. De vreemdeling had de gronden voor de bewaring niet bestreden en had niet meegewerkt aan haar verwijdering. Er was geen sprake van nadere belangenbeschadiging of strijd met het recht.
De Raad stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de belangen van de bewaring niet in redelijke verhouding stonden tot de ernst van het gebrek. De belangenafweging was passend gelet op de omstandigheden, waaronder het ontbreken van criminele antecedenten of gevaar voor de staatsveiligheid.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.