ECLI:NL:RBSGR:2009:BH9854
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij verzoek verklaring van geen bezwaar
Eiser is op 24 december 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak van 30 januari 2009 de rechtmatigheid van de bewaring tot dat moment bevestigd. Het geschil betreft de voortzetting van de bewaring na die datum, waarbij eiser aanvoert dat er geen zicht is op uitzetting omdat het Openbaar Ministerie (OM) geen verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven. Verweerder heeft pas op 5 maart 2009 een verzoek aan het OM gedaan voor deze verklaring, wat de rechtbank te laat acht.
De rechtbank stelt dat het verzoek om een verklaring van geen bezwaar een essentiële handeling is ter voorbereiding van de uitzetting. Het ontbreken van deze verklaring kan uitzetting frustreren en daarmee de bewaring onrechtmatig maken. Omdat verweerder pas ruim twee maanden na de inbewaringstelling actie ondernam, is niet met de benodigde voortvarendheid gehandeld.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, oordeelt dat de bewaring onrechtmatig is vanaf 1 februari 2009 en beveelt de opheffing van de bewaring per 11 maart 2009. Tevens kent zij eiser een schadevergoeding van €1600 toe voor de periode vanaf 20 februari 2009, de datum van het ingediende beroep, en veroordeelt verweerder in de proceskosten van €644.
Er is geen ruimte voor belangenafweging na het oordeel dat onvoldoende voortvarend is gehandeld. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige handelingen door de overheid bij vrijheidsbenemende maatregelen in vreemdelingenzaken.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vreemdelingenbewaring per 11 maart 2009 en kent een schadevergoeding van €1600 toe wegens onvoldoende voortvarendheid bij het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar.