ECLI:NL:RVS:2008:BG4449
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting
De vreemdeling was op 20 juli 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM, bewaring alleen gerechtvaardigd is zolang de uitzettingsprocedure met voldoende voortvarendheid wordt voortgezet. Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat onvoldoende voortvarendheid leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring zonder ruimte voor belangenafweging.
In deze zaak was vastgesteld dat na het verzoek aan Bureau Dublin op 21 juli 2008 geen nader onderzoek nodig was, zodat de bewaring vanaf 22 juli 2008 onrechtmatig was. De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende een vergoeding toe aan de vreemdeling over de periode van 22 juli tot 15 september 2008, toen de bewaring werd opgeheven.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring was onrechtmatig wegens onvoldoende voortvarendheid bij de uitzetting; het hoger beroep is gegrond verklaard en de Staat veroordeeld tot vergoeding.