ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2859
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.J. van Leijenhorst
- L. de Loor-Alwin
- J.M. Vink
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen dividendbelastingheffing op dividend aan Nederlandse Antillen
Eiseres, een in Nederland gevestigde BV, stelde in 2005 een dividend van €600.000 beschikbaar, waarvan €200.000 aan een in de Nederlandse Antillen gevestigde NV. Over dit bedrag hield zij 8,3% dividendbelasting in en droeg dit af. Eiseres betwistte deze heffing en stelde dat deze in strijd is met het EG-Verdrag, met name artikel 56 inzake Pro vrijheid van kapitaalverkeer.
De rechtbank oordeelde dat de relatie tussen Nederland en de Nederlandse Antillen niet buiten het bereik van het EG-Verdrag valt en dat artikel 56 EG Pro van toepassing is. De rechtbank stelde vast dat de NV een directe investering vormt en dat de heffing een beperking van het kapitaalverkeer inhoudt. Echter, de heffing is gerechtvaardigd omdat het tarief van 8,3% voortbouwt op een regeling die reeds bestond op 31 december 1993, zoals vereist door artikel 57 EG Pro.
De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres dat de Nederlandse Antillen geen derde land zijn in de zin van artikel 56 EG Pro en dat de heffing niet aan toetsing onderhevig zou zijn. Ook werd geoordeeld dat de wijziging van het tarief in 2002 niet een fundamentele wijziging van de regeling vormde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afdracht van dividendbelasting geacht rechtmatig te zijn.
Uitkomst: Het beroep tegen de afdracht van dividendbelasting over het aan de Nederlandse Antillen beschikbare dividend wordt ongegrond verklaard.