ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2860

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/6518
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wet MRBArt. 7 Wet MRBArt. 20 Algemene wet inzake rijksbelastingenArtikel 8:67 AwbBesluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aansprakelijkheid motorrijtuigenbelasting na inbeslagname voertuig wegens openstaande boete

Eiser werd aansprakelijk gehouden voor motorrijtuigenbelasting over de periode 19 april 2008 tot en met 3 juni 2008, ondanks dat de auto op 18 april 2008 in beslag werd genomen door de politie wegens een openstaande boete uit 2005. Tevens werd een verzuimboete opgelegd vanwege het niet tijdig betalen van de belasting.

De rechtbank stelde vast dat eiser op grond van het kentekenregister houder was van het voertuig gedurende het belastingtijdvak en dat hij de belasting niet had voldaan. De inbeslagname en het ingenomen kenteken waren het gevolg van het niet betalen van een boete, waardoor eiser zelf invloed had op de duur van de inbeslagname.

De rechtbank oordeelde dat het beroep van eiser ongegrond was, omdat de wettelijke bepalingen bepalen dat degene die als houder in het kentekenregister staat, aansprakelijk is voor de belasting. Ook de verzuimboete werd terecht opgelegd, aangezien het de vierde keer was dat eiser niet tijdig betaalde. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en verzuimboete wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 08/6518
Uitspraakdatum: 10 april 2009
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[X], wonende te [Z], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/[te P] verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 4 augustus 2008 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en boetebeschikking.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2009 te 's-Gravenhage.
Namens verweerder is verschenen [A].
Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 9 februari 2009 aan het adres [adres], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu voormelde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TNT post is gebleken dat de brief op 12 februari 2009 is bezorgd, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.
1 Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2 Gronden
2.1. Blijkens kentekenregistratie was eiser van 31 december 2007 tot en met 4 juni 2008 houder van het motorrijtuig, merk [merk], met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Datum van het kentekenbewijs deel I is 19 oktober 1995.
2.2. Ingevolge artikel 6 van Pro de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) wordt de belasting voor een personenauto geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt. Artikel 7 van Pro de Wet MRB bepaalt dat een motorrijtuig wordt gehouden door degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister van de Rijksdienst voor het wegverkeer. De inspecteur kan, ingevolge artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de te weinig geheven belasting naheffen indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is voldaan.
2.3. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 4 juli 2008 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 19 april 2008 tot en met 3 juni 2008 ten bedrage van € 97 opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van deze naheffingsaanslag heeft verweerder eiser bij beschikking een verzuimboete van € 97 opgelegd.
2.4. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de naheffingsaanslag terecht aan eiser heeft opgelegd.
2.5. Eiser stelt dat hij ten onrechte aansprakelijk wordt gehouden voor de motorrijtuigenbelasting aangezien hij op 18 april 2008 geen eigenaar meer was van de auto. Op 18 april 2008 heeft de politie Zuid-Holland de auto in beslag genomen in verband met een openstaande boete uit 2005 ten bedrage van € 56,25. Tevens is daarbij het kenteken ingenomen. Eiser heeft geen vrijwaringsbewijs ontvangen. De auto is op 5 juni 2008 door de politie verkocht of vernietigd.
De rechtbank begrijpt eisers stelling aldus dat hij daarmee een beroep doet op ontheffing van motorrijtuigenbelasting op grond van het besluit van de staatssecretaris van 4 juli 2007, nr. CPP2007/1107M, Stcrt. nr. 133.
2.6. Voor het standpunt van verweerder wordt verwezen naar de gedingstukken.
2.7. Vaststaat dat de auto bij aanvang van het tijdvak in het kentekenregister op naam van eiser was gesteld en dat hij de voor het tijdvak verschuldigde belasting niet op de uiterste betaaldatum heeft voldaan. Voor een geslaagd beroep op het voormelde besluit, is ingevolge Onderdeel 8, 'Einde Beschikkingsmacht', onder meer van belang dat eiser zelf geen invloed heeft op de lengte van de termijn van inbeslagname. De rechtbank acht niet voldaan aan deze voorwaarde nu vaststaat dat de inbeslagname verband hield met het niet betalen door eiser van een aan hem opgelegde boete. Mitsdien is het beroep in zoverre ongegrond.
2.8. Met betrekking tot de verzuimboete overweegt de rechtbank dat verweerder de boete op de juiste wijze heeft vastgesteld. Op grond van paragraaf 33, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 wordt bij een vierde en volgend verzuim een boete van € 113 opgelegd. Het bedrag van de boete bedraagt echter nooit meer dan de niet (tijdig) betaalde belasting. Op verweerder rust de last om te bewijzen dat sprake is van een (vierde) verzuim. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin geslaagd. Nu sprake is van een vierde verzuim is terecht een verzuimboete van € 97 opgelegd.
2.8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.
2.9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Aldus vastgesteld door mr. R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.P. Wismeijer.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2009.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.