ECLI:NL:RBSGR:2009:BI4386
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting naar Irak met EU-staat
Eiser, van Irakese nationaliteit, werd op 7 november 2008 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Na vaststelling van zijn nationaliteit op 28 januari 2009 duurde het bijna een maand voordat de EU-staat werd opgemaakt en afgegeven, terwijl dit volgens verweerder een administratieve handeling is die slechts 15 minuten in beslag neemt. Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld en dat de uitzetting veel sneller had kunnen plaatsvinden.
De rechtbank heropende het onderzoek en verzocht verweerder om nadere informatie over de afgifte van de EU-staat. Verweerder gaf aan dat de EU-staat digitaal wordt ingevuld en uitgeprint door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), en dat voorafgaand aan afgifte duidelijk moet zijn dat geen andere uitzettingsmogelijkheden bestaan en dat toegang tot Irak op vertoon van de EU-staat gewaarborgd is. De rechtbank stelde vast dat dit onderzoek niet noodzakelijk was geweest na vaststelling van de nationaliteit.
De rechtbank concludeerde dat verweerder geen uitzettingshandelingen had verricht in afwachting van de afgifte van de EU-staat en dat het bijna een maand duurde voordat de EU-staat werd afgegeven. Dit leidde tot onvoldoende voortvarendheid. Gelet op eerdere uitspraken en de ernst van het gebrek verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, hief de bewaring op per 21 april 2009 en kende een schadevergoeding toe van €5.360 aan eiser. Tevens werden de proceskosten van €644 aan eiser toegewezen.
Uitkomst: De bewaring van eiser wordt opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting en er wordt schadevergoeding toegekend.