ECLI:NL:RBSGR:2009:BI6850
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen vaste inrichting voor boorschip bij werkzaamheden in diverse landen in 2004
Belanghebbende, werkzaam op een boorschip in 2004, voerde werkzaamheden uit in de territoriale wateren van meerdere landen, waaronder India, Indonesië en Maleisië. De vraag was of het boorschip als vaste inrichting kon worden aangemerkt, wat invloed heeft op de toewijzing van het heffingsrecht en het recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.
De rechtbank stelt vast dat een boorschip een vaste inrichting kan vormen zonder aard- of nagelvaste verbinding met de bodem, mits er sprake is van een duurzame band met het land. In dit geval verbleef het schip echter nooit langer dan vier maanden in één land, wat onvoldoende is voor een duurzame band volgens internationale praktijk en het OESO-modelverdrag.
Verder werd betwist of de beloningen betaald werden door ondernemingen die in de werkstaten gevestigd zijn. Belanghebbende kon dit niet aannemelijk maken. Ook de door belanghebbende overgelegde exit tax in Indonesië werd niet erkend als een belasting over het inkomen. De rechtbank concludeert dat het heffingsrecht toekomt aan Nederland en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat het boorschip geen vaste inrichting vormt en Nederland het heffingsrecht behoudt.