ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8891
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen inbewaringstelling wegens taalproblemen en schorsing zitting
Eiser is op 19 april 2009 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Tegen deze maatregel is op 20 april 2009 beroep ingesteld. Tijdens de zitting van 29 april 2009 bleek dat de opgeroepen tolk klassiek Arabisch sprak, terwijl eiser alleen Sorani sprak, waardoor het onderzoek werd geschorst. De rechtbank oordeelde dat er weliswaar een aanvang was gemaakt met het horen van eiser, maar dat een nadere zitting op korte termijn noodzakelijk was.
De nadere zitting vond pas plaats op 12 mei 2009, bijna twee weken later. De rechtbank stelde vast dat deze termijn te lang was en dat de rechtbank niet voldoende voortvarend was geweest bij het afronden van het horen. Hoewel de foutieve tolkkeuze te wijten was aan de gemachtigde van eiser, vormde dit geen rechtvaardiging voor de vertraging.
Hierdoor was de vrijheidsontnemende maatregel in strijd met artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring per 13 mei 2009 en wees de proceskosten toe aan eiser. Een vergoeding aan eiser wegens de onrechtmatige maatregel werd niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de bewaring wordt per 13 mei 2009 opgeheven wegens schending van artikel 94 lid 2 Vreemdelingenwet 2000.