ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5679
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken motivering en toepassing Vluchtelingenverdrag
Eiser, een asielzoeker van Afghaanse nationaliteit, werd op 2 juli 2009 strafrechtelijk aangehouden bij binnenkomst in Nederland met een vals paspoort. Op 3 juli 2009 gaf hij aan asiel te willen aanvragen. Op basis van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 werd hij op 10 en 15 juli 2009 in bewaring gesteld. Eiser stelde beroep in tegen deze vrijheidsontnemende maatregel.
De rechtbank overwoog dat het beleid voorschrijft dat bewaring bij asielzoekers zo beperkt mogelijk moet worden toegepast. De gronden voor bewaring, zoals het ontbreken van identiteitspapieren, geen vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen, zijn volgens de rechtbank van toepassing op vrijwel iedere asielzoeker en bieden geen voldoende motivering voor het vermoeden dat eiser zich aan uitzetting zal onttrekken. Ook het niet aanmelden bij de korpschef kon niet zonder nadere motivering als argument dienen, aangezien eiser direct in strafrechtelijke detentie was genomen.
Voorts werd gewezen op het arrest van 18 juni 2009 van het gerechtshof Amsterdam, waarin werd geoordeeld dat asielzoekers die onverwijld asiel aanvragen niet vervolgd mogen worden voor het gebruik van vervalste documenten zolang de asielprocedure niet is afgerond. Dit is in lijn met artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag, dat vervolging en bewegingsvrijheid van vluchtelingen beperkt.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring van eiser niet gerechtvaardigd was en beveelde onmiddellijke opheffing. Tevens kende zij eiser een schadevergoeding toe voor de onrechtmatige bewaring en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring.