ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ9599
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van onderscheid in verblijfsvergunning op grond van oude Vreemdelingenwet
Eiser maakte bezwaar tegen de weigering van verweerder om hem een aanbod te doen op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet, omdat hij geen asielaanvraag had ingediend vóór 1 april 2001. Verweerder baseerde zijn besluit op het ontbreken van een asielaanvraag of melding daarvoor, waardoor niet werd voldaan aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning.
Eiser stelde dat het onderscheid tussen vreemdelingen die wel en niet een asielaanvraag hadden ingediend onrechtmatig was en in strijd met artikel 26 IVBPR Pro, artikel 94 Grondwet Pro en artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het VN-Mensenrechtencomité, die aangeven dat een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor het onderscheid vereist is.
De rechtbank oordeelde dat het onderscheid gerechtvaardigd is vanwege de wettelijke verplichtingen van de overheid ten aanzien van asielaanvragers en de noodzaak om de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet af te wikkelen. Daarnaast werd geoordeeld dat toetsing aan artikel 8 EVRM Pro buiten het kader van deze regeling valt en via een reguliere aanvraag kan plaatsvinden.
Het beroep tegen het besluit van 14 mei 2009 werd ongegrond verklaard, het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk, en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser. De rechtbank wees de Staat aan als rechtspersoon voor betaling van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet wordt ongegrond verklaard.