ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1120

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
26 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
317829/FARK 08-6565
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Haagse VerdragArt. 4 Wet van 2 mei 1990Art. 13 lid 1 onder b Haagse VerdragArt. 15 Haagse VerdragArt. 11 lid 4 Verordening Brussel IIbis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot teruggeleiding minderjarige bij internationale kinderontvoering

De rechtbank 's-Gravenhage behandelde een verzoek van de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van een minderjarige die naar Nederland was overgebracht. De procedure betrof een internationale kinderontvoering onder het Haagse Verdrag. Na ontvangst van een beslissing van de High Court of Justice waarin werd vastgesteld dat de vader geen gezagsrechten heeft over de minderjarige, concludeerde de rechtbank dat de overbrenging niet in strijd was met het gezagsrecht.

De rechtbank handhaafde de eerdere beschikking van 6 oktober 2008 en besloot het verzoek tot teruggeleiding af te wijzen. Er was geen sprake van een ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag. De rechtbank gaf partijen de gelegenheid hun standpunten schriftelijk toe te lichten, maar de Centrale Autoriteit maakte geen gebruik van de mogelijkheid om te reageren op de beslissing van de High Court.

De rechtbank bepaalde dat iedere partij de eigen proceskosten draagt gezien de familierechtelijke aard van de procedure. De uitspraak werd gedaan door drie kinderrechters tijdens een openbare zitting op 26 juni 2009.

Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige wordt afgewezen omdat de overbrenging niet in strijd is met het gezagsrecht.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Meervoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 08-6565
Zaaknummer: 317829
Datum beschikking: 26 juni 2009
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 19 augustus 2008 ingekomen verzoek van:
De Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag betreffende burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen (trb. 1987, 139) (hierna: het Verdrag), gevestigd te 's-Gravenhage, verder te noemen de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:
[verzoeker],
de vader,
wonende te [plaats A] (Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland; hierna: het Verenigd Koninkrijk).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[mevrouw A]
de moeder,
wonende op een geheim adres,
advocaat: mr. A.H. van Haga te 's-Gravenhage.
Procedure
Bij beschikking van 6 oktober 2008 heeft deze rechtbank de beslissing ter zake van de teruggeleiding van de minderjarige [B], geboren op [datum] 2007 te [plaats B] (Verenigd Koninkrijk), en de proceskosten aangehouden in afwachting van een door de Centrale Autoriteit over te leggen beslissing of verklaring ingevolge artikel 15 van Pro het Verdrag. Voorts heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten met betrekking tot artikel 13 lid 1 onder Pro b van het Verdrag en artikel 11 lid 4 van Pro de Verordening Brussel IIbis schriftelijk (nader) te onderbouwen, zo mogelijk met stukken.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:
- het faxbericht van 31 oktober 2008, met bijlagen, van de zijde van de Centrale Autoriteit;
- de brief van 4 november 2008 en het faxbericht van 7 november 2008, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
- de brieven van 10 november 2008, 8 december 2008 en 15 december 2008, met bijlagen, van de zijde van de Centrale Autoriteit;
- het faxbericht van 17 december 2008 van de zijde van de moeder;
- de brief van 31 maart 2009 van de zijde van de moeder met als bijlage de beslissing als bedoeld in artikel 15 van Pro het Verdrag van de High Court of Justice van 27 maart 2009;
- de brief van 19 mei 2009, met bijlage, van de zijde van de moeder.
De Centrale Autoriteit is in de gelegenheid gesteld om op de ingekomen beslissing van de High Court of Justice van 27 maart 2009 te reageren en zich uit te laten over de voortgang van de onderhavige procedure, doch heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
De rechtbank ziet aanleiding om thans, zonder nadere zitting, uitspraak te doen.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking van 6 oktober 2008 is overwogen en beslist.
In de overgelegde beslissing als bedoeld in artikel 15 van Pro het Verdrag van de High Court of Justice van 27 maart 2009 wordt het volgende overwogen: "129 (.......) My conclusions are that the father does not have parental responsibility nor rights of custody".
Nu de beslissing tot stand is gekomen in een procedure op tegenspraak en van de zijde van de vader hiertegen geen bezwaren zijn geuit van inhoudelijke of procedurele aard neemt de rechtbank voormelde conclusie over.
Aangezien de vader niet met het gezag over de minderjarige is belast, is de overbrenging van de minderjarige naar Nederland op 31 maart 2008 niet geschied in strijd met een gezagsrecht. Er is derhalve geen sprake van een ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot teruggeleiding afwijzen.
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de Centrale Autoriteit af;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. de Lange- Tegelaar, M. Kramer en A.C. Olland, tevens kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.