ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3153
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring van alleenstaande minderjarige asielzoeker
Eiser, een alleenstaande minderjarige asielzoeker van Afghaanse nationaliteit, werd op 11 oktober 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij voerde bezwaar aan tegen deze maatregel, stellende dat de bewaring disproportioneel was gezien zijn minderjarige status en asielaanvraag. De rechtbank behandelde het beroep en heropende het onderzoek om nadere inlichtingen over de toepassing van artikel 6 van Pro de Dublinverordening te verkrijgen.
Verweerder stelde dat eiser een mogelijke Dublinclaimant was omdat hij via Griekenland en Frankrijk naar Nederland was gereisd zonder daar asiel aan te vragen, waardoor paragraaf A6/5.3.3.6 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 van toepassing zou zijn en de belangenafweging in zijn nadeel uitviel. De rechtbank oordeelde echter dat artikel 6 van Pro de Dublinverordening bepaalt dat de asielaanvraag van een alleenstaande minderjarige in het land van indiening wordt behandeld, ongeacht eerdere illegale grensoverschrijdingen. Hierdoor had de voorgenomen Dublinprocedure geen kans van slagen en mocht deze niet in de belangenafweging worden meegenomen.
Verder stelde de rechtbank dat vreemdelingenbewaring bij asielzoekers zo beperkt mogelijk dient te zijn en bij minderjarigen een versterkte terughoudendheid geldt. Omdat eiser geen identiteitspapier had, geen vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen, was de bewaring niet gerechtvaardigd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval onmiddellijke opheffing van de bewaring en kende eiser een schadevergoeding toe van €1305,-. Tevens werden de proceskosten van €874,- aan eiser toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt onmiddellijke opheffing van de bewaring van de minderjarige asielzoeker.