ECLI:NL:RBSGR:2009:BK6603
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid en discriminatievrijheid Regeling afwikkeling nalatenschap vreemdelingenwet oud
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, heeft bezwaar gemaakt tegen het feit dat hem geen verblijfsvergunning is aangeboden op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap vreemdelingenwet oud, omdat hij vóór 1 april 2001 geen asielaanvraag had ingediend. De rechtbank stelt vast dat eiser zich niet heeft gemeld bij de IND of de Vreemdelingenpolitie voor het indienen van een asielaanvraag vóór die datum.
De rechtbank toetst het bestreden besluit aan het discriminatieverbod van artikel 1 Grondwet Pro, artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro. Het onderscheid in de Regeling tussen vreemdelingen die vóór 1 april 2001 een asielaanvraag hebben ingediend en degenen die dat niet hebben gedaan, is volgens de rechtbank een relevant onderscheid dat niet leidt tot verboden discriminatie. Dit oordeel sluit aan bij eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Eisers beroep op het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro faalt omdat hij niet heeft onderbouwd dat de Regeling een inbreuk maakt op de rechten uit het EVRM. Ook het beroep op artikel 26 IVBPR Pro wordt verworpen omdat deze bepaling geen ruimere bescherming biedt dan artikel 1 Grondwet Pro. De rechtbank acht het onderscheid in de Regeling objectief en redelijk gerechtvaardigd vanwege de specifieke problemen die ontstonden bij vreemdelingen die vóór 1 april 2001 een asielaanvraag hadden ingediend.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat in de hoofdzaak reeds wordt beslist. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.