ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7516
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring Turkse onderdaan
Eiser, een Turkse onderdaan, kreeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die later werd ingetrokken en werd ongewenst verklaard vanwege een gevaar voor de openbare orde. De rechtbank onderzocht of eiser zich kon beroepen op artikel 13 van Pro besluit 1/80, dat beperkingen op toegang tot de arbeidsmarkt voor Turkse werknemers verbiedt. Uit jurisprudentie van het HvJ EG bleek dat deze bepaling alleen geldt voor Turkse onderdanen die legaal en langdurig in een lidstaat verblijven en geleidelijk kunnen inburgeren.
Eiser verbleef legaal in Nederland van juli 2004 tot juli 2005, maar zat vrijwel de gehele periode gedetineerd wegens strafbare feiten gepleegd kort na binnenkomst. Hierdoor ontbraken de voorwaarden voor geleidelijke integratie en inburgering. De rechtbank concludeerde dat eiser niet onder het toepassingsbereik van artikel 13 valt Pro en dat de intrekking en ongewenstverklaring terecht zijn getoetst aan de openbare ordecriteria.
Verder oordeelde de rechtbank dat de inmenging in het gezinsleven van eiser gerechtvaardigd is op grond van artikel 8 EVRM Pro, gezien de ernst van de straf en het ontbreken van objectieve belemmeringen voor het gezinsleven in Turkije. Ook het beroep op het IVRK faalde omdat het geen aanvullende verblijfsrechten biedt. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning en ongewenstverklaring worden bevestigd.