ECLI:NL:RBSGR:2009:BK8520
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring van Iraanse vreemdeling wegens misdrijven en risico op schending mensenrechten
Eiser, een Iraanse nationaliteit dragende vreemdeling, is wegens ernstige misdrijven veroordeeld en vervolgens ongewenst verklaard in Nederland. Hij maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit tot ongewenstverklaring. De rechtbank beoordeelde onder meer of het besluit in strijd was met artikel 3 en Pro 8 van het EVRM en artikel 33 van Pro het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Iran geen risico liep op schending van artikel 3 EVRM Pro, mede omdat het beleid van verweerder vereist dat vreemdelingen hun seksuele geaardheid niet hoeven te verbergen. Tevens was niet onderzocht of eiser als vluchteling kon worden aangemerkt op grond van artikel 33 van Pro het Vluchtelingenverdrag, wat een essentiële belangenafweging ontbrak.
Verder stelde de rechtbank vast dat eiser geen duurzame relatie had in de zin van artikel 8 EVRM Pro, zodat geen schending van dit artikel was. Gelet op de onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering van het besluit, werd het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot ongewenstverklaring wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en nalaten beoordeling vluchtelingenstatus.