ECLI:NL:RBSGR:2009:BL6139
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bepaling hoofdverblijfplaats en omgangsregeling minderjarige na verhuizing naar Engeland
De vader verzoekt de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van zijn minderjarige kind bij hem in Nederland te bepalen, terwijl het kind momenteel bij de moeder in het Verenigd Koninkrijk woont. Subsidiair verzoekt hij om een omgangsregeling. De rechtbank oordeelt dat het niet in het belang van het kind is om de hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen, omdat de moeder en het kind inmiddels een sociaal leven in Engeland hebben opgebouwd.
Beide ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. De rechtbank ziet geen aanleiding om het gezag aan één ouder toe te wijzen, omdat er geen aanwijzingen zijn dat het kind nadelige gevolgen ondervindt van de huidige situatie of dat de afstand het contact belemmert. Ook is onvoldoende gebleken dat de moeder in de uitoefening van het gezag wordt belemmerd.
Ten aanzien van de omgangsregeling stelt de rechtbank vast dat het financieel en praktisch niet haalbaar is voor de ouders en het jonge kind om elkaar te ontmoeten in Nederland of Engeland. Het vaststellen van een omgangsregeling zou valse verwachtingen bij het kind scheppen en is daarom niet in diens belang. De rechtbank wijst het verzoek tot omgangsregeling af en beveelt dat ouders zich inspannen voor ongedwongen telefonisch contact.
De moeder krijgt de hoofdverblijfplaats toegewezen en de huidige gezagssituatie blijft gehandhaafd. De vader kan bij verandering van omstandigheden een verzoek indienen bij de rechter van de verblijfplaats van het kind.
Uitkomst: Verzoek vader tot wijziging hoofdverblijfplaats en omgangsregeling wordt afgewezen; hoofdverblijfplaats blijft bij moeder.