ECLI:NL:RBSGR:2009:BN9671
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van Pardonregeling wegens EU-nationaliteit
Eisers, afkomstig uit Slowakije en stellende stateloos te zijn, vorderen een verblijfsvergunning op grond van de Pardonregeling (WBV 2007/11). De staatssecretaris van Justitie weigert dit aanbod te doen omdat eisers onderdanen zijn van een EU-lidstaat, Slowakije, en derhalve niet in aanmerking komen voor de regeling.
De rechtbank overweegt dat eerdere uitspraken van deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hebben vastgesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt stateloos te zijn. Uit ambtsberichten blijkt dat de verklaring van stateloosheid vals is en dat de nationaliteit in de gemeentelijke basisadministratie is aangepast naar Slowaakse nationaliteit.
Eisers beroepen zich subsidiar op artikel 4:84 Awb Pro en artikel 8 EVRM Pro, maar de rechtbank oordeelt dat geen bijzondere omstandigheden zijn die afwijking van het beleid rechtvaardigen en dat artikel 8 EVRM Pro buiten het beoordelingskader van de Pardonregeling valt.
Ook het beroep op schending van de hoorplicht faalt omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eisers kunnen hiertegen hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard omdat zij niet als stateloos zijn aangemerkt en onderdanen zijn van Slowakije.