ECLI:NL:RBSGR:2010:BK9768
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning onder pardonregeling wegens geen asielaanvraag voor 1 april 2001
Eiser, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning onder de pardonregeling die geldt voor vreemdelingen die vóór 1 april 2001 een asielaanvraag hebben ingediend en sindsdien ononderbroken in Nederland verblijven. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser nooit een asielaanvraag heeft ingediend vóór die datum.
De rechtbank overwoog dat het onderscheid tussen vreemdelingen die wel en niet vóór 1 april 2001 een asielaanvraag deden, niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van de Grondwet, artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro. Dit onderscheid is gerechtvaardigd vanwege de verschillende verantwoordelijkheden die de overheid heeft ten aanzien van deze groepen.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het bezwaar niet-ontvankelijk was wegens prematuriteit, maar dat dit niet tot niet-ontvankelijkverklaring leidde omdat verweerder al een kenbare handeling had verricht door de afwijzing per brief. De stelling dat eiser niet is gehoord werd verworpen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank concludeerde dat eiser geen belang had bij een beoordeling op grond van artikel 8 EVRM Pro omdat geen sprake was van een beschermd familieleven of settled migrant-status. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van een verblijfsvergunning onder de pardonregeling bevestigd.