ECLI:NL:RVS:2008:BG5956
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsbescherming bij niet ambtshalve doen van aanbod onder pardonregeling vreemdelingenwet
De zaak betreft het hoger beroep tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die het bezwaar van een vreemdeling tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet gegrond verklaarde. De staatssecretaris had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De Raad van State bevestigt dat het niet ambtshalve doen van een aanbod geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat het geen rechtsgevolg beoogt en geen schriftelijke beslissing is.
De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat het niet ambtshalve doen van een aanbod wel een rechtens relevante handeling is in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waardoor het onder de bevoegdheid van de bestuursrechter valt en appellabel is. De mogelijkheid voor vreemdelingen om alsnog een aanvraag in te dienen en bezwaar te maken biedt geen adequate rechtsgang, mede vanwege het mvv-vereiste en de legesplicht.
De Raad van State wijst het primaire en subsidiaire beroep van de staatssecretaris af en bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter. Tevens veroordeelt zij de minister van Justitie tot vergoeding van proceskosten en heffing van griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van rechtsbescherming voor vreemdelingen bij handelingen van bestuursorganen die niet als formele besluiten kwalificeren.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het niet ambtshalve doen van een aanbod geen besluit is, maar wel een appellabele handeling vormt, en verklaart de hoger beroepen ongegrond.