ECLI:NL:RBSGR:2010:BL5736
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring tijdens asielprocedure
De zaak betreft een beroep van een Eritrese asielzoeker tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser betoogde dat zijn bewaring onrechtmatig was omdat zijn asielaanvraag nog in behandeling was en de bewaring niet conform Europese richtlijnen zou zijn.
De rechtbank overwoog dat de Terugkeerrichtlijn nog niet in Nederlands recht is geïmplementeerd en dat de Procedurerichtlijn niet uitsluit dat een asielzoeker tijdens de behandeling van zijn aanvraag in bewaring wordt gesteld. Het arrest van het HvJ EG bevestigt dat bewaring van asielzoekers onder andere regels valt dan bewaring met het oog op uitzetting.
Verder vond de rechtbank geen sprake van détournement de pouvoir. De maatregel was gerechtvaardigd vanwege het vermoeden dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, mede omdat hij onvoldoende meewerkte aan het verkrijgen van een dactyloscopisch signalement. Medische bezwaren tegen de bewaring werden verworpen op basis van een medisch advies.
De rechtbank concludeerde dat er voldoende zicht is op uitzetting binnen afzienbare termijn en dat de maatregel in redelijkheid gerechtvaardigd is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.