ECLI:NL:RBSGR:2010:BM0986
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning bij partner wegens ontbreken geldige mvv en geen vrijstelling
Verzoekster heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd met als doel verblijf bij haar partner. Verweerder heeft dit afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verzoekster beriep zich op paragraaf 5.7 van WBV 2007/11 en op vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder het juiste toetsingskader heeft gehanteerd en dat verzoekster niet behoort tot een categorie die van het mvv-vereiste is vrijgesteld. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM Pro omdat verzoekster nooit rechtmatig verblijf had toen zij het gezinsleven begon en uitbreidde. Ook is geen onbillijkheid van overwegende aard vastgesteld die vrijstelling zou rechtvaardigen.
Verzoekster kon onvoldoende aantonen dat zij op of voor 13 december 2006 een duurzame en exclusieve relatie had met haar partner, zoals vereist voor vrijstelling op grond van WBV 2007/11. Het beroep op het kinderrechtenverdrag (IVRK) is niet rechtstreeks toepasbaar. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het beroep van verzoekster wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken van een geldige mvv en geen vrijstelling.