ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2251
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens betrokkenheid bij misdrijven tegen de menselijkheid
Eiser, een voormalige Iraakse brigade-generaal, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de Immigratie- en Naturalisatiedienst werd geweigerd op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder stelde dat eiser betrokken was bij misdrijven tegen de menselijkheid, met name foltering van militairen die werden veroordeeld voor diefstal of fraude. Eiser ontkende betrokkenheid bij dergelijke misdrijven en betwistte dat de straffen als foltering konden worden aangemerkt.
De rechtbank overwoog dat de term 'gericht tegen de burgerbevolking' ook militairen kan omvatten, mits zij niet deelnemen aan vijandelijkheden, wat in deze zaak het geval was. De rechtbank achtte de rapporten van Amnesty International, Human Rights Watch en de VN-mensenrechtenrapporteur overtuigend over de toepassing van wrede straffen, waaronder amputaties, aan militairen. Eiser werd geacht kennis te hebben gehad van deze straffen en persoonlijk bijgedragen te hebben aan de vervolging van militairen, waarmee sprake was van 'knowing participation'.
Daarnaast faalde het beroep van eiser op artikel 3 EVRM Pro, omdat hij onvoldoende aannemelijk maakte dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling. De algemene veiligheidssituatie in Irak rechtvaardigt dit niet. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de weigering van de verblijfsvergunning.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard wegens betrokkenheid bij misdrijven tegen de menselijkheid.