ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2731
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijkheid duur vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting naar Eritrea
Eiser, afkomstig uit Eritrea, werd op 18 juni 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld vanwege onzekerheid over zijn identiteit en nationaliteit. De Eritrese autoriteiten namen zijn aanvraag voor een laissez-passer (lp) in onderzoek, maar gaven deze niet binnen zes maanden af. Eiser stelde dat de bewaring na zes maanden opgeheven had moeten worden, verwijzend naar de langdurige weigering van Eritrea om lp’s af te geven.
Verweerder stelde dat de duur van het onderzoek buiten diens invloedssfeer lag en dat eiser door zijn non-coöperatieve houding het onderzoek bewust vertraagde. De rechtbank constateerde dat er weliswaar een duidelijke aanwijzing was voor de Eritrese afkomst van eiser, maar dat de lp-aanvraag nog in behandeling was. De stagnatie in afgifte van lp’s moest door verweerder worden besproken met de Eritrese autoriteiten.
De rechtbank weegt het belang van eiser om in vrijheid te zijn tegen het belang van verweerder om uitzetting mogelijk te maken. Gezien de omstandigheden acht zij een termijn van negen maanden voor bewaring redelijk. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af; de bewaring was tot negen maanden redelijk.