ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3377

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
30 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/6441 WOZ
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArtikel 17 Wet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding bij bezwaarprocedure met no cure no pay-overeenkomst

Eiseres maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking en schakelde een gemachtigde in op basis van een no cure no pay-overeenkomst, waarbij alleen bij winst kosten verschuldigd zijn. Verweerder erkende het bezwaar en stelde de WOZ-waarde bij, maar wees het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat eiseres geen kosten zou hebben gemaakt.

De rechtbank oordeelde dat het bestaan van een no cure no pay-overeenkomst niet betekent dat geen kosten zijn gemaakt; bij winst worden immers kosten in rekening gebracht. De gemachtigde bevestigde dat aan eiseres een vergoeding in rekening wordt gebracht.

Op grond van artikel 7:15 Awb Pro en het feit dat het besluit onrechtmatig was en werd herroepen, kende de rechtbank eiseres de proceskostenvergoeding toe. De kosten werden vastgesteld op €161 voor het bezwaar en €644 voor het beroep. Verweerder werd veroordeeld deze bedragen en het griffierecht te vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank kende proceskostenvergoeding toe ondanks no cure no pay-overeenkomst en veroordeelde verweerder tot betaling van kosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Afdeling 4, enkelvoudige kamer
Procedurenummer: AWB 09/6441 WOZ
Uitspraakdatum: 30 maart 2010
Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in het geding tussen
[eiseres], wonende te [plaats],
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [...], verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 31 juli 2009 op het bezwaar van eiseres tegen de na te noemen beschikking en aanslag.
I ZITTING
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2010. Namens eiseres is daar verschenen [A]. Namens verweerder is verschenen mr. [B].
II BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voorzover deze betrekking heeft op de proceskostenvergoeding;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voorzover dit betrekking heeft op de proceskostenvergoeding;
- veroordeelt verweerder in de kosten van het bezwaar ten bedrage van € 161 en in de kosten van het beroep ten bedrage van € 644;
- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 41 aan haar vergoedt.
III OVERWEGINGEN
3.1 Verweerder heeft bij beschikking van 28 februari 2009 (hierna: de beschikking) de waarde van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats], op de voet van artikel 17 van Pro de Wet waardering onroerende zaken op waardepeildatum 1 januari 2008 voor het kalenderjaar 2009 vastgesteld op € 267.000. In hetzelfde geschrift heeft verweerder aan eiser de aanslag onroerende-zaakbelasting voor het jaar 2009 opgelegd (hierna: de aanslag).
3.2. Eiser heeft bij brief van 8 april 2009 bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Hierbij heeft hij gebruik gemaakt van de diensten van Previcus Vastgoed (hierna: de gemachtigde) die in de bezwaarprocedure als gemachtigde van eiser is opgetreden. In zijn aanvulling op het bezwaarschrift van 11 mei 2009 heeft eiser terzake van de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand verzocht om een proceskostenvergoeding.
3.3 Bij uitspraak op bezwaar van 31 juli 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de waarde van de woning nader vastgesteld op € 212.000 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd. Het verzoek van eiser om een proceskosten¬vergoeding heeft verweerder in deze uitspraak afgewezen.
3.4 In geschil is de proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure. Met name is in geschil of eiser voor het inschakelen van de gemachtigde kosten heeft moeten maken.
3.5 Ingevolge artikel 7:15 van Pro de Awb worden de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende en voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
3.6 Tussen partijen is niet in geschil dat het bestreden besluit is herroepen en dat dit is gedaan wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Nu dit geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, sluit de rechtbank zich hierbij aan.
3.7 Verweerder stelt dat eiseres voor de bezwaarprocedure geen kosten heeft hoeven maken aangezien de rechtsbijstand is verleend op grond van een ‘no cure no pay’-overeenkomst. Eiseres en de gemachtigde zijn overeengekomen dat in het geval van een verloren procedure niets is verschuldigd en dat in het geval van een gewonnen procedure niet meer is verschuldigd dan de proceskostenvergoeding.
3.8 De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Het bestaan van een ‘no cure no pay’-overeenkomst brengt mee dat indien de procedure wordt gewonnen, er proceskosten zullen worden gemaakt voor het inschakelen van de rechtshulpverlener (zie CRvB 25 april 2000, nr. 97/10734 AAW, LJN ZB8757). De gemachtigde heeft ter zitting onweersproken gesteld dat bij het sluiten van het dossier aan eiseres een vergoeding in rekening zal worden gebracht. Hieruit volgt dat eiseres kosten maakt voor rechtsbijstand in de bezwaarprocedure.
3.9 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval is voldaan aan de voorwaarden die artikel 7:15 van Pro de Awb stelt. Derhalve diende verweerder aan eiseres een proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure toe te kennen.
3.10 De rechtbank zal, doende hetgeen verweerder behoorde te doen, aan eiseres een vergoeding toekennen voor de kosten van rechtsbijstand die zij in verband met het bezwaar heeft moeten maken en verweerder opdragen deze aan eiseres te voldoen. Deze kosten heeft de rechtbank op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vastgesteld op € 161 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161). De rechtbank vindt voorts aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).
Aldus vastgesteld door mr. R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.J.M. Reniers.
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2010.
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.