ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1597
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Algerije
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, werd op 7 december 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eerder beroepen tot opheffing van de bewaring werden ongegrond verklaard. In een vervolgberoep betoogde eiser dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat de Algerijnse autoriteiten sinds 2002 geen laissez-passer aan hem verstrekten.
De rechtbank constateerde dat in 2010 door de Algerijnse autoriteiten geen laissez-passers zijn afgegeven voor gedwongen vertrek, hoewel er één laissez-passer was afgegeven in het kader van vrijwillige terugkeer, waarbij doorgaans bemiddeling van het IOM plaatsvindt. Dit werd door verweerder erkend. De rechtbank concludeerde dat het zicht op uitzetting ontbreekt en dat de bewaring vanaf 25 augustus 2010 onrechtmatig is geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval de opheffing van de bewaring per 19 oktober 2010. Tevens werd een schadevergoeding van € 1.520,00 toegekend voor de periode van 30 september tot en met 18 oktober 2010, gebaseerd op richtlijnen voor immateriële schadevergoeding bij vrijheidsontneming. Daarnaast werden proceskosten van € 874,00 aan eiser toegekend. De betaling van deze bedragen dient te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting en er wordt schadevergoeding toegekend.