ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1601

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
20 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/34097
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:75 AwbArt. 27 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken uitzicht op uitzetting naar Somalië

Eiser is op 3 juni 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na eerdere ongegronde beroepen tegen de bewaring, is op 30 september 2010 een nieuw beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming, met een verzoek om schadevergoeding.

Verweerder heeft aangegeven dat er een tijdelijke belemmering bestaat voor uitzetting naar Somalië vanwege de onveilige situatie in Mogadishu. Deze belemmering is echter niet gebaseerd op de verwachting dat de situatie snel verbetert, maar op het beraad over recente jurisprudentie. Verweerder erkent dat het beraad ook tot een langdurige belemmering kan leiden, zonder een duidelijk tijdsbestek.

De rechtbank concludeert dat onvoldoende vaststaat dat de belemmering tijdelijk is en gaat daarom uit van het ontbreken van uitzicht op uitzetting. Hierdoor is de bewaring met ingang van 1 oktober 2010 onrechtmatig geworden. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt opheffing van de bewaring per 20 oktober 2010 en wijst schadevergoeding toe van € 1520,00. Tevens worden proceskosten van € 874,00 aan verweerder opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank heft de vreemdelingenbewaring op wegens ontbreken van uitzicht op uitzetting naar Somalië en wijst schadevergoeding toe.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 10/34097
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2010
inzake
[Eiser],
geboren op [geboortedatum],
nationaliteit Somalische,
verblijvende te [plaats] in het detentiecentrum,
eiser,
gemachtigde mr. M.S.M. Dietz de Loos-Schrijver,
tegen
de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,
te Den Haag,
verweerder,
gemachtigde mr. R.P.G. van Bel.
Procesverloop
Op 3 juni 2010 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.
Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 31 juni 2010, 3 augustus 2010 en 7 september 2010, zijn eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 30 september 2010 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.
Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 30 september 2010 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd bij schrijven van 4 oktober 2010.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 oktober 2010, waar eiser noch zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
Overwegingen
1. Namens eiser is – onder meer – aangevoerd dat blijkens de voortgangsrapportage de gedwongen verwijdering van vreemdelingen naar Somalië tot nader bericht is opgeschort. Gelet hierop bestaat geen zicht op uitzetting en dient de bewaring dientengevolge te worden opgeheven.
2. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 september 2010, LJN: BO0014, op het standpunt gesteld dat er zicht op uitzetting naar Somalië bestaat. In verband met de slechte veiligheidssituatie bestaat er thans een tijdelijke belemmering om naar Somalië uit te zetten. Nu het een tijdelijke belemmering betreft, kan niet worden gezegd dat er geen zicht op uitzetting bestaat.
3. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting uiteengezet dat de veiligheidssituatie in Mogadishu, via welke plaats verwijdering naar Somalië plaatsvindt, precair is. In verband hiermee heeft verweerder onlangs besloten tijdelijk geen vreemdelingen naar Somalië te verwijderen. De tijdelijkheid van deze belemmering tot verwijdering is niet zozeer gelegen in de verwachting dat de veiligheidssituatie op korte termijn zal verbeteren, als wel in de noodzaak van verweerder zich te beraden over de gevolgen van de recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake die situatie. Verweerder heeft erkend dat niet kan worden uitgesloten dat het beraad tot uitkomst kan hebben dat verwijdering ook gedurende langere termijn aan verwijdering naar Somalië in de weg staat. Over het tijdsbestek waarbinnen verweerder verwacht dit beraad te hebben afgerond, heeft hij evenwel geen mededeling kunnen doen.
4. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat thans in onvoldoende mate vast staat dat slechts sprake is van een tijdelijke belemmering om vreemdelingen te verwijderen naar Somalië. Er dient er daarom van te worden uitgegaan dat geen zicht bestaat op uitzetting van eiser naar zijn land van herkomst. De rechtbank houdt het ervoor dat de bewaring dientengevolge met ingang van 1 oktober 2010 onrechtmatig is geworden. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en de opheffing van de bewaring gelasten met ingang van heden. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.
5. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 105,00 voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 80,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.
Overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 20 oktober 2010, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat eiser over de periode van 1 oktober 2010 tot en met 19 oktober 2010 schadevergoeding toekomt. In totaal bedraagt de schadevergoeding 19 x € 80,00 is € 1520,00.
6. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 437,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;
• waarde per punt € 437,00;
• wegingsfactor 1.
7. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
Beslissing
De rechtbank,
- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van Pro de Vw 2000 van eiser met ingang van 20 oktober 2010;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van verweerder, ten bedrage van € 1520,00;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00;
- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.
Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield, als rechter in tegenwoordigheid van P. Bijen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2010.
Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1520,00 (ZEGGE: ÉÉNDUIZENDVIJFHONDERDTWINTIG EURO)
Aldus gedaan op 20 oktober 2010 door mr. W.C.E. Winfield.