ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4705

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
16 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/37343
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 8:28 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting maatregel bewaring en zicht op uitzetting naar China

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de voortzetting van de maatregel bewaring die aan hem is opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. Het geschil betreft nu de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring sinds dat moment.

Eiser stelde dat het zicht op uitzetting naar China ontbreekt. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en andere rechtbanken, waarin is vastgesteld dat zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn niet langer ontbreekt. Dit is gebaseerd op toezeggingen van de Chinese autoriteiten in mei 2010 voor de afgifte van achttien laissez passer, waarvan er inmiddels zeventien zijn verstrekt.

Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt bij de voorbereiding van de uitzetting. De rechtbank oordeelt dat verweerder voortvarend handelt, onder meer omdat het Bureau Medische Advisering heeft vastgesteld dat eiser reisvaardig is en omdat er herhaaldelijk contact is geweest met de Chinese autoriteiten. De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vreemdelingenwet en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Utrecht
Sector bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
zaaknummer: AWB 10/37343
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], dan wel [eiser], dan wel [eiser], geboren op [1965], van gestelde Chinese nationaliteit, eiser,
gemachtigde: mr. M.G. Bannenberg, advocaat te Rotterdam,
en
de minister van Justitie, thans de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,
gemachtigde: mr. D.B. Deckers.
Procesverloop
Verweerder heeft op 17 juni 2010 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de bewaring beroep ingesteld bij deze rechtbank. Daarbij is verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Bij faxbrief van 8 november 2010 heeft verweerder nadere stukken overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 november 2010.
Eiser is ter zitting vertegenwoordigd door mr. R.W. Koevoets, als waarnemer van de gemachtigde. Verweerder heeft bij gemachtigde het woord gevoerd.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Vooropgesteld moet worden dat de rechtbank de maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 oktober 2010 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser heeft aangevoerd dat het zicht op uitzetting naar China ontbreekt. Ter zitting heeft hij een brief van de rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 8 november 2010 overgelegd met daarin door deze nevenzittingsplaats aan verweerder gestelde vragen over
- kort samengevat - aantallen aangevraagde laissez passer in 2009 en 2010 en de daarop door de Chinese autoriteiten genomen beslissingen, naast de toezegging van achttien laissez passer en de afgifte van zeventien daarvan eerder dit jaar.
4. Wat betreft eisers beroepsgrond over zicht op uitzetting naar China overweegt de rechtbank dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) bij uitspraak van 9 augustus 2010 (LJN BN4049) heeft geconcludeerd dat zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn niet langer ontbreekt. Aan die conclusie heeft de ABRvS onder meer ten grondslag gelegd dat de Chinese autoriteiten in mei 2010 toezeggingen hebben gedaan voor de afgifte van achttien laissez passer en dat zij inmiddels op verzoek van de Dienst Terugkeer & Vertrek voor zeventien van de desbetreffende vreemdelingen de toegezegde laissez passer hebben verstrekt. Uit die uitspraak (rechtsoverweging 2.1.1.) blijkt dat één laissez passer door de Chinese autoriteiten is verstrekt voor een geheel ongedocumenteerde Chinese vreemdeling. Verder verwijst de rechtbank naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 23 augustus 2010 (AWB 10/27509), waarin deze nevenzittingsplaats heeft geconcludeerd dat zicht op uitzetting naar China niet ontbreekt. Bij uitspraak van 28 september 2010 (201008508/1/V3, www.raadvanstate.nl) heeft de ABRvS die uitspraak van 23 augustus 2010 bevestigd. Gelet op het voorgaande en gelet op het tijdsverloop sinds de toezeggingen van de Chinese autoriteiten in mei 2010 en de afgifte van de laissez passer, ziet de rechtbank geen grond voor de conclusie dat het zicht op uitzetting van eiser naar China op dit moment ontbreekt. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om nu aan verweerder informatie te vragen als bedoeld in artikel 8:28 van Pro de Algemene wet bestuursrecht dan wel om de antwoorden af te wachten op de vragen die nevenzittingsplaats Dordrecht aan verweerder heeft gesteld.
5. Wat betreft eisers beroepsgrond dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt door niet tijdig te reageren op het verzoek van 23 augustus 2010 om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw, is de rechtbank van oordeel dat deze procedure het voortduren van de bewaring niet in de weg staat. De rechtbank overweegt daarbij dat verweerder ter zitting heeft meegedeeld dat uit het advies van het Bureau Medische Advisering inmiddels is gebleken dat eiser in staat is om te reizen en dat de beslissing op het verzoek binnen de voorgeschreven termijn zal worden genomen. Verder is uit de verstrekte voortgangsgegevens en het verhandelde ter zitting gebleken dat het onderzoek bij de Chinese autoriteiten nog loopt. Verweerder heeft op 20 oktober 2010 bij hen gerappelleerd in verband met de afgifte van een laissez passer. Daarnaast heeft verweerder op 2 november 2010 met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voortvarend handelt bij de voorbereiding van de uitzetting van eiser.
6. Gelet op het voorgaande en artikel 96, derde lid, van de Vw is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vw. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, bij afweging van de betrokken belangen, de maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.P. Glerum, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2010.
De griffier: De rechter:
S.J. van Ravenhorst mr. M.P. Glerum
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.