ECLI:NL:RVS:2010:BN4049
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zicht op uitzetting naar China na toezeggingen afgifte laissez passer
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld en betwistte dat er zicht op uitzetting naar China bestond vanwege onvoldoende concrete toezeggingen van de Chinese autoriteiten. De rechtbank had geoordeeld dat de toezeggingen van mei 2010 voor de afgifte van 18 laissez passer, waarvan er inmiddels 17 waren verstrekt, voldoende concreet waren om zicht op uitzetting aan te nemen.
De vreemdeling voerde aan dat deze toezeggingen onvoldoende waren, mede omdat slechts één laissez passer betrekking had op een volledig ongedocumenteerde vreemdeling en dat toezegging niet gelijkstaat aan feitelijke verstrekking. De Raad van State oordeelde dat de toezeggingen en verstrekkingen een belangrijke aanwijzing vormen voor een structurele verandering in de opstelling van de Chinese autoriteiten.
De Raad nam mee dat de Chinese autoriteiten geen belang hechten aan het feit dat vreemdelingen in bewaring zijn gesteld en dat er geen concrete feiten waren gesteld die uitsluiten dat het onderzoek naar afgifte van reisdocumenten binnen een redelijke termijn kan leiden tot uitzetting. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
De uitspraak bevestigt eerdere jurisprudentie en onderstreept het belang van concrete toezeggingen en verstrekkingen van reisdocumenten als indicatie voor zicht op uitzetting. De Raad van State benadrukte dat het aantal verstrekte laissez passer aanzienlijk is toegenomen ten opzichte van voorgaande jaren, wat wijst op een positieve ontwikkeling in de samenwerking tussen Nederlandse en Chinese autoriteiten.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; zicht op uitzetting naar China bevestigd; verzoek om schadevergoeding afgewezen.