ECLI:NL:RBSGR:2010:BO8213
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling disproportionaliteit verblijfsvergunning bij toepassing artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
Eiser, een Afghaanse vreemdeling, verblijft sinds 1997 in Nederland en heeft meerdere keren een verblijfsvergunning asiel verkregen en verloren. De vergunning werd ingetrokken op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, omdat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser betrokken is bij ernstige misdrijven. De rechtbank heeft eerdere intrekkingsbesluiten vernietigd, maar deze uitspraken zijn door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd.
Eiser betoogt dat hij recht heeft op een eerlijk strafproces en dat het onthouden van een vergunning disproportioneel is, omdat dit leidt tot onmenselijke behandeling en vernietiging van zijn gezinsleven. De rechtbank oordeelt dat artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing is op verblijfsprocedures en dat de tegenwerping van artikel 1(F) geen strafrechtelijke vervolging betreft.
De rechtbank erkent dat artikel 3 EVRM Pro duurzame uitzetting verhindert, maar stelt dat het onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is zolang eiser niet langer dan tien jaar zonder vergunning verblijft. De rechtbank overweegt dat eiser niet in een schrijnende situatie verkeert die een reguliere vergunning rechtvaardigt en dat de zogenoemde resttoets niet in de asielprocedure maar in een reguliere procedure moet worden toegepast.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser dient te worden uitgenodigd een reguliere aanvraag in te dienen indien sprake is van disproportionaliteit. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en de uitzetting van eiser is niet aan de orde vanwege artikel 3 EVRM Pro.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de intrekking van zijn verblijfsvergunning blijft gehandhaafd.