ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9097
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- M. Verberne
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring en intrekking verblijfsvergunning wegens gevaar voor openbare orde
Verzoeker is bij besluit van 16 januari 2009 ongewenst verklaard en zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken. Na een bezwaarprocedure die leidde tot een tweede ongegrondverklaring op 10 juni 2010, stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening tegen uitzetting.
De rechtbank overweegt dat het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk is zolang de ongewenstverklaring blijft gelden, omdat de beoordeling van het verblijf in het kader van de ongewenstverklaring plaatsvindt. Verzoeker is veroordeeld voor ernstige strafbare feiten, waaronder een veroordeling tot werkstraf en gevangenisstraf voor overtredingen van het Wetboek van Strafrecht, en is daarmee een gevaar voor de openbare orde.
De belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro, die het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven beschermt, weegt zwaar, maar de rechtbank acht het algemeen belang bij bescherming van de openbare orde zwaarder. Verzoekers langdurig verblijf en gezinsbanden kunnen het besluit niet onredelijk maken. De rechtbank wijst het beroep tegen de ongewenstverklaring af en verklaart het beroep tegen de intrekking niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk; het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.