ECLI:NL:RVS:2010:BN2206
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongewenstverklaring vreemdeling op grond van buitenlandse veroordeling en beoordelingsvrijheid staatssecretaris
De vreemdeling werd bij besluit van de staatssecretaris ongewenst verklaard vanwege een buitenlandse veroordeling voor een ernstig misdrijf, met intrekking van zijn verblijfsvergunning. De vreemdeling stelde bezwaar en beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning ontvankelijk en vernietigde het besluit tot ongewenstverklaring.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen de intrekking ontvankelijk had verklaard, omdat de vreemdeling zolang hij ongewenst is verklaard geen belang heeft bij het behoud van rechtmatig verblijf. Tevens werd bevestigd dat de staatssecretaris een beoordelingsvrijheid heeft bij het verbinden van verblijfsrechtelijke gevolgen aan buitenlandse veroordelingen en dat het beleid omtrent de advisering door het Openbaar Ministerie voldoet aan de wettelijke vereisten.
De Afdeling overwoog verder dat de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro zorgvuldig was gemaakt en dat het gevaar voor de openbare orde zwaarder woog dan het recht op gezinsleven van de vreemdeling. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het besluit tot ongewenstverklaring werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.