ECLI:NL:RBSGR:2010:BP1500
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid en voortzetting vreemdelingenbewaring na implementatie Terugkeerrichtlijn
Eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit, werd op 16 december 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was omdat hij bereikbaar was via een postadres, bezig was met het regelen van zijn vertrek, en verweerder onvoldoende voortvarend handelde. Tevens stelde hij dat er geen zicht was op uitzetting naar Algerije en dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast.
De rechtbank oordeelde dat de gronden voor bewaring, zoals ongewenstverklaring, ontbreken vaste woon- of verblijfplaats, gebruik van aliassen en eerdere niet-naleving van vertrektermijnen, voldoende waren om de bewaring te dragen. Na 24 december 2010, de datum van implementatie van de Terugkeerrichtlijn, dient eerst te worden beoordeeld of een minder dwingend middel dan bewaring kan worden toegepast. De rechtbank stelde vast dat verweerder dit heeft onderzocht en dat gezien het onttrekkingsgevaar en het ontwijken van terugkeer een lichter middel niet doeltreffend zou zijn.
De rechtbank oordeelde verder dat het risico op onderduiken niet richtlijnconform kon worden aangenomen omdat de Nederlandse wetgeving geen objectieve criteria bevatte, waardoor bewaring niet op deze grond kon worden gebaseerd. Wel kon de bewaring worden voortgezet op grond van het ontwijken of belemmeren van de terugkeerprocedure. De rechtbank verwierp de stellingen van eiser over het ontbreken van zicht op uitzetting en onvoldoende voortvarendheid van verweerder. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.